Nederlands

Reflectie over identiteit, beweging en verder kunnen gaan

Published date:
13.03.2026

In mijn eerdere werk Keturunan lag de focus sterk op mijn Molukse achtergrond. Vier van de vijf performers waren Moluks en het onderzoek vertrok vanuit het individu. Hun persoonlijke verhalen, hun lichaam en hun verhouding tot afkomst stonden centraal.

Daarna volgde Mama’ku, waarin ik bewust ruimte heb gemaakt om de Javaanse kant van mijn moeder te eren. Mede door mijn samenwerking met mijn Javaanse mentor werd de voorstelling sterk geworteld in de Javaanse danstaal. Dat was een bewuste keuze in het maakproces. Waar ik in Keturunan meer inzoomde op mijn Molukse lijn, wilde ik in Mama’ku juist de andere helft van mijn bloedlijn zichtbaar maken.

In dat proces ben ik ook op zoek gegaan naar het dekoloniseren van westerse verwachtingspatronen rondom dansvoorstellingen. Hier wordt vaak gedacht in groter, sneller, meer. Ik heb gaandeweg onderzocht wat er gebeurt als ik vertraag. Als ik minimaliseer. Als ik vertrouw op verstilling en op de stille kracht in plaats van op explosie. In Indonesië heb ik ervaren dat er veel kan gebeuren in minimale beweging, dat het publiek geduld wordt gevraagd en dat betekenis niet altijd luid of expliciet is. Voor mij was Mama’ku een onderzoek naar volledig in mijn kracht kunnen staan, ook wanneer ik niet uitvergroot of voortdurend explosief ben. Dat kracht ook kan bestaan in beheersing, in gegrondheid, in stilte.

Vanuit dat werk ontving ik een reflectie dat, omdat de documentaire eindigt in Maluku, er een verwachting was van meer expliciete Molukse bewegingsrepresentatie in de voorstelling. Die opmerking heeft veel lagen geopend.

Er zit een historische spanning tussen Indonesische en Molukse gemeenschappen. Een geschiedenis waarin identiteit soms onder druk heeft gestaan en waarin mensen hun cultuur moesten verbergen of opzijzetten. Ik begrijp dat dit heeft geleid tot waakzaamheid. Tot het scherp bewaken van traditie. Tot het gevoel: vergeet niet waar je vandaan komt.

Maar het blijft pijnlijk om te merken dat die verdeeldheid nog steeds voelbaar is. Zeker wanneer je, zoals ik, beide bloedlijnen in je draagt. Mijn gemixtheid is geen concept, maar mijn realiteit. Ik kan niet kiezen voor één kant zonder de ander tekort te doen.

Voor mij zit het Moluks-zijn niet alleen in expliciete traditionele bewegingsvormen, maar in energie, in gegrondheid, in presence. Het zou niet zo hoeven te zijn dat ik het telkens expliciet zichtbaar moet maken om mijn culturele identiteit bestaansrecht te geven. En toch merk ik dat die verwachting soms in de ruimte hangt. Dat raakt aan een diepere laag van niet genoeg zijn. Ben ik niet duidelijk genoeg? Niet zichtbaar genoeg? Niet Moluks genoeg? Niet Indonesisch genoeg? Ik merk ook hoe graag ik alles goed wil doen en hoe gevoelig ik ben voor hoe het ontvangen wordt. Daarin zit voor mij een leerproces: accepteren dat niet iedereen tevreden kan zijn.

Nu in de voorbereiding en het onderzoek voor mijn nieuwe werk, dat in oktober in première gaat, heb ik afgelopen maand audities gehouden. Waar ik in mijn eerdere werk vertrok vanuit het individu, vertrek ik nu vanuit het collectief. Dit nieuwe werk gaat over het eren van onze voormoeders, over de veerkracht die van generatie op generatie is doorgegeven en over dankbaarheid voor het feit dat wij hier vandaag kunnen staan dankzij hen. Het is een onderzoek naar wat wij dragen van onze voormoeders en hoe hun kracht nog steeds doorwerkt in wie wij vandaag zijn. Tijdens de audities heb ik gezocht naar waar de persoonlijke geschiedenis van de performers resoneert met dit grotere verhaal. Vanuit hun verhalen bouw ik aan een gedeelde bedding voor het collectieve verhaal. Maar in die gedeeldheid voel ik ook dat er nog steeds een onderliggende verdeeldheid aanwezig is.

In het proces van mijn nieuwe werk werd mij in een gesprek teruggegeven dat de keuze voor Javaanse dans spanning opriep. Er werd gedeeld dat het uitvoeren van een Indonesische danstaal als Moluks persoon niet vanzelfsprekend voelt en ergens misschien een beetje ongemakkelijk. Dat er onzekerheid kan ontstaan of je daar volledig achter kunt staan, of dat het misschien voelt alsof je daarmee je Molukse identiteit minder zichtbaar maakt of verloochent. Die twijfel raakte me. Niet omdat ik het perspectief niet begrijp, maar omdat het zoveel lagen blootlegt. Het maakt de dans ineens veel meer dan een artistieke keuze. Het wordt een vraag over loyaliteit, over geschiedenis, over waar je bij hoort of misschien juist niet bij wilt horen. Als ik als maker had gekozen voor een andere stijl, zoals jazz, tap of hiphop, dan was het waarschijnlijk simpelweg een vorm geweest die we samen zouden onderzoeken. Maar nu wordt de keuze voor Javaanse dans een positionering. En juist omdat deze vraag vanuit de Molukse gemeenschap zelf kwam, voelde het zwaarder en persoonlijker. Daarin zit bescherming, maar ook de angst om iets te verliezen. Tegelijkertijd werk ik binnen een artistieke context. De bewegingen die ontstaan zijn geen letterlijke overdracht van rituelen of tradities, maar een inspiratiebron binnen een artistiek onderzoek. Het gaat om wat deze bewegingskwaliteiten openen in het lichaam en in het verhaal dat we willen vertellen.
Ik hoop dat dit vanuit de Molukse gemeenschap ook steeds meer gezien kan worden als inspiratie binnen een artistiek proces, al weet ik dat daar ook verschillende perspectieven op bestaan.
Dat maakt het gesprek kwetsbaar en belangrijk tegelijk. Juist daarom is het voor mij een vraagstuk dat we niet moeten vermijden, maar waar we met elkaar over in gesprek moeten blijven.

Tegelijkertijd is mijn nieuwe werk niet uitsluitend geworteld in één danstaal. Ik ben nog steeds in training en ontwikkeling binnen zowel Javaanse als Balinese dans, en laat mij inspireren door meerdere traditionele Indonesische stijlen. Ook traditionele Molukse danstijlen vormen een inspiratiebron in mijn bewegingsonderzoek. In het proces zal er dus ook beweging ontstaan die meer gegrond is in Molukse invloeden, binnen een cast van performers met Indonesische en/of Molukse roots. Dat vraagt wederzijds vertrouwen. Net zoals ik niet geloof dat een Molukse performer zichzelf verloochent door een Indonesische danstaal te bewegen, hoop ik ook dat een Indonesische of Indische performer zich niet minder verbonden hoeft te voelen met zichzelf wanneer hij of zij geïnspireerd raakt door Molukse invloeden.

Ik hoor om me heen, binnen mijn generatie, een vermoeidheid rondom het steeds opnieuw moeten vertrekken vanuit trauma. Dat herken ik. Tegelijkertijd geloof ik dat trauma niet vermeden moet worden, maar begrepen. Zichtbaar maken waar iets vandaan komt, niet om daarin te blijven hangen, maar om te laten zien welke veerkracht eruit is ontstaan. Hoe pijn ook doorzettingsvermogen heeft voortgebracht. Voor mij zal dat ook in toekomstig werk een vertrekpunt blijven: trauma erkennen, om vervolgens de kracht zichtbaar te maken die eruit is voortgekomen.

Juist daarom voelt het tegenstrijdig wanneer de angst om onze culturele identiteit te verliezen zo leidend wordt dat verdere ontwikkeling in de weg staat. Wanneer verdeeldheid en het gevoel niet Moluks of Indonesisch genoeg te zijn zwaarder gaan wegen dan het vertrouwen dat identiteit ook kan bestaan zonder voortdurend expliciet zichtbaar gemaakt te worden. Dat wanneer je het ene uitvoert vanuit een artistieke keuze van de maker, dit niet automatisch betekent dat het een vertegenwoordiging is van slechts één culturele identiteit. Het mag en kan naast elkaar bestaan. Maar ik begrijp dat het een dunne lijn is, dat het gevoelig is en dat het ook zeker ligt aan welk verhaal er verteld wordt in de voorstelling.

Ik vraag me af of we op een punt kunnen komen waar Molukkers, Indonesiërs en Indische mensen echt samen werk kunnen maken dat al die lagen vertegenwoordigt, zonder dat een artistiek vertrekpunt automatisch voelt als het verloochenen van een andere kant. Waar er vertrouwen en bondgenootschap zou kunnen ontstaan. Waar samenkomen niet betekent dat iets vervaagt, maar juist rijker wordt. Niet om geschiedenis te vergeten of niet serieus te nemen, maar juist om het met respect mee te dragen terwijl we kijken naar waar we nu staan en hoe we verder kunnen.

Mijn wens is om daarin samen te komen. Omdat ik geloof dat er kracht zit in dat samen. Niet omdat het sterker zou zijn dan het Moluks of Indonesisch op zichzelf staan, want ook daarin zit kracht en een eigen waarde. Maar omdat er vandaag de dag ook een derde realiteit bestaat: die van gemixte identiteiten. Ook die mag sterk zijn. Het samenkomen kan daarin een manier zijn om recht te doen aan al die lagen tegelijk. In mij bestaan die werelden naast elkaar. Misschien is mijn behoefte om ze samen te brengen niets anders dan maken vanuit wie ik ben.

Ik besef dat ik hier iets benoem dat gevoelig ligt. Dat dit geen eenvoudige kwestie is en dat de verdeeldheid nog onderliggend aanwezig is. Daar ben ik me van bewust. Juist daarom probeer ik dit voorzichtig te benaderen en met zorg te onderzoeken, zonder iets te willen ontkennen of overschrijven wat voor anderen van grote betekenis is.

Onder dit alles ligt ook een persoonlijkere laag. Ik maak werk om verbinding te openen. Ik zie wat het doet wanneer mensen elkaar herkennen. Tegelijkertijd voel ik me in dit proces zelf soms alleen. Community bouwen is voor mij niet vanzelfsprekend. Misschien raakt dit onderwerp daarom zo diep.

Daarnaast zijn er ook mogelijkheden en initiatieven die dit al aan het doen zijn. Dus ik wil niet doen alsof het er niet is of niet kan. Een voorbeeld voor mij is ook Cerita Kita. Uiteindelijk ligt de kern denk ik meer bij het gevoel dat geraakt wordt op het moment dat zo’n confrontatie plaatsvindt.

Wat ik nu zie, zijn geen definitieve antwoorden, maar vragen en onderwerpen die het waard zijn om te blijven stellen. Over identiteit. Over traditie. Over gemixt zijn als realiteit. Over hoe we verder kunnen zonder onze culturele identiteit te verloochenen.

Misschien ligt de volgende stap niet in kiezen, maar in omarmen. In het toelaten dat meerdere waarheden naast elkaar kunnen bestaan. Maar vooral in het blijven voeren van dit gesprek met elkaar.